Teredo navalis

Teredo navalis (Linnaeus, 1758)

Nederlandse naam:
Paalworm

Beschrijving:
Hoewel dit dier in het Nederlands en Engels ‘worm’ genoemd wordt, is het een weekdier: een hoogontwikkeld tweekleppig schelpdier zelfs. De schelp omvat slechts een klein deel van het lichaam. Die schelp is ongeveer 6 bij 6 mm groot (maximaal 2 cm). De kleur is wit, maar er zit een opperhuid op die lichtbruin is. De rest van het dier, dat wel 60 cm lang kan zijn, zit in een door het dier zelf afgescheiden koker van kalk, die weer in de gang zit die het dier geboord heeft (boorgang.tif). Dat boren gaat met behulp van de zeer merkwaardig gevormde, uit verschillende stukken bestaande schelp. Die ziet er met zijn drie zwaar geribbelde lobben uit als een soort boorkop, wat het dus ook is. Aan beide einden van de boorgang zitten afsluitklepjes, die paletten genoemd worden.

Voedsel:
Kleine planktonorganismen. Die worden opgenomen door de mondopening. Die zit, net als de uitstroomopening, aan de achterkant van het dier en steekt door de ingang van de woonbuis naar buiten. Via de uitstroomopening wordt niet alleen faeces verwijderd, maar ook het afgeraspte hout en de uitgekomen larven.

Voortplanting:
Er zijn mannetjes en vrouwtjes. Bevruchting is inwendig. De eieren ontwikkelen zich in de mantelholte van het vrouwtje tot larfjes. Die zijn ongeveer bolvormig, hebben een cirkel trilharen om mee te zwemmen en een tweekleppig schelpje. Via de uitstroomopening van het vrouwtje komen ze in het water terecht. Deze geboorte vindt plaats in de 2e helft van juni. Zodra de larven hout vinden om zich op te vestigen doen ze dat ook. In 1 tot 2 weken veranderen ze vervolgens in echte paalwormpjes. Dan gaan ze hun hol boren en zullen dat hun hele leven blijven bewonen.

Leefgebied:
In door zeewater omspoeld hout, zoals houten schepen, beschoeiingen en pieren.

Verspreiding:
Wereldwijd.

Opmerking:
Er is wel beweerd, dat de paalworm in Nederland is ingevoerd doordat hij meekwam met de schepen van onder meer de VOC, die de hele wereld over voeren.
Het is echter zeker, dat de soort al sinds mensenheugenis bij ons voorkomt. In Nederlandse schepen, ook de vissersschepen die vooral op de Noordzee visten, zijn tenminste drie soorten gevonden. Vrachtschepen werden ter bescherming beslagen met koperplaat, vissersschepen werden enkele malen per jaar geteerd. Maar ook in de kustbescherming was de paalworm bekend. In 1730 werd voor het eerst melding gemaakt van schade aan de Westkapelse Zeedijk (Walcheren). In de jaren daarna braken door het hele land palen van de beschoeiing, doorgevreten door de paalworm. Men nam allerlei maatregelen, waaronder creosoot erop smeren (ja, reeds in de 18e eeuw!), betimmeren met heel veel spijkers met grote koppen (zgn. wormnagels) die gingen roesten en zo een ondoordringbare laag vormden. Maar de meeste maatregelen waren of te duur of hadden geen blijvend succes. Uiteindelijk ging men over op beton en steen.

Het is niet waarschijnlijk dat de paalworm als voorbeeld heeft gediend voor bepaalde boortypen, maar van andere borende organismen is dat wel bekend. Overigens wil het verhaal wel, dat ingenieurs voor het aanleggen van een tunnel onder de Theems aan het einde van de 18e eeuw eerst lange tijd de paalworm hebben bestudeerd. Ze hebben toen van het dier de manier van werken overgenomen die ook nu nog wel wordt toegepast: eerst een stuk boren, dan de wanden bekleden, c.q. versterken en dan weer het volgende stuk boren, enzovoorts.

%LABEL% (%SOURCE%)