Psammechinus miliaris

Psammechinus miliaris (Gmelin, 1778)

Nederlandse naam:
Gewone zeeappel

Beschrijving:
Dit is een voorbeeld van een regelmatige zee-egel. Ook wel genoemd: vijfstralig symmetrisch. Van boven af gezien is hij verdeeld in vijf gelijke stukken. Het patroon dat je op het kalkskelet ziet bestaat ook uit vijf gelijke delen. Hij is ongeveer 4 cm in doorsnede, maar hij kan wel 5 cm worden. De bovenkant is bol, de onderkant plat. Deze zee-egel heeft stevige stekels van ongeveer 1,5 cm lengte. Met behulp van kleine spiertjes kan hij die allemaal bewegen. Maar er zit nog meer beweegbaars aan dit zo massief ogende beest. In het skelet zitten vijf dubbele rijen gaatjes, daar doorheen steken zuigvoetjes (ambulacraalvoetjes). Ook die zijn beweegbaar en wel met behulp van een soort hydraulisch systeem: door water te verpompen. De spieren in het buizensysteem zorgen daarvoor. De voetjes zijn geschikt om mee te lopen, maar ook om kleine voorwerpen op te pakken. De mondopening zit aan de onderkant. En als je hem open zou maken (of een compleet skeletje vinden) zou je ook een harde bek vinden. Daaraan vast zit een heel stelsel van kalkstukjes en spieren (ook weer vijftallig), dat luistert naar de fraaie naam "Lantaarn van Aristoteles". Vraag me niet hoe die naam is ontstaan, behalve misschien door de gelijkenis met een oude stormlantaarn. Maar het is in feite een soort kauwapparaat. Zo'n ding hebben alle symmetrische zee-egels.
De kleur van de zeeappel is meestal groenig grijs met paarse stekelpunten, al maakt hij soms een roodbruine indruk doordat het skelet zelf die kleur kan hebben. Vaak is dat trouwens licht bruingroen (p_miliar.tif). Ook een heel lichte geelwitte kleur met paarse stekelpunten komt voor. Soms zijn stukjes wier of andere dingen op de stekels geprikt. Dit lijkt op camouflagegedrag, zoals we dat in veel uitgebreidere vorm wel vinden bij enkele verwanten van de zeeappel.

Voedsel:
Dit is een alleseter. Meestal schraapt hij met zijn bek algen van stenen of een andere harde ondergrond, maar hij eet ook aas of kleine dieren die hij kan verschalken. Dat zijn dan meestal dieren die niet weg kunnen komen, zoals mosdiertjes, sponzen of schelpdieren. Deze soort schijnt een plaag te kunnen vormen in oesterbedden.

Voortplanting:
Geen bijzonderheden te melden - hij doet het op de gewone zee-egel manier. De eicellen worden in het water bevrucht. Daaruit komen na verloop van tijd zogenaamde pluteuslarven, die een heel speciale vorm hebben en onder een microscoop gezien voor de zoveelste keer de vraag opwekken, hoe zo iets moois toch kan ontstaan. Na enkele gedaanteverwisselingen zakt de larve naar de bodem om daar uit te groeien tot een echte egel.

Leefgebied:
Vanaf de oppervlakte tot ca. 100 m diepte. Op rotsen, onder stenen en in zeegrasvelden. De soort houdt van schaduw en je komt hem dan ook vaak tegen in spleten en holletjes.

Verspreiding:
Van Noorwegen en IJsland, via de Oostzee tot aan Marokko en de Azoren. Niet in de Middellandse Zee: daar leeft een nauw verwante soort, P. microtuberculatus .

%LABEL% (%SOURCE%)