Dendrodoa grossularia

Dendrodoa grossularia (Van Beneden, 1846)

Nederlandse naam:
Zeebes

Beschrijving:
Kleine, gedrongen zakpijpsoort. Lengte tot 2,0 cm, breedte tot 1,5 cm. Kleur roodbruin. Soms platliggend, soms rechtop. Vaak in groepjes, maar soms ook alleenstaand (solitair). Instroomopening op de top, uitstroomopening op ca. 1/3 van de lichaamshoogte daaronder. In- en uitstroomopening beide met 4 lobben.

Voedsel:
Plankton, dat ze net als alle zakpijpen actief verzamelen door water door hun lichaam te pompen. In het lichaam zit een zeef die het plankton opvangt en verder naar de darm leidt en kieuwen die de benodigde zuurstof eruit halen.

Voortplanting:
De larven van deze soort ontwikkelen zich in het ouderlichaam. Pas als ze bijna de volwassen vorm hebben - ze lijken dan een beetje op kikkervisjes en hebben nog de beroemde chorda: de voorloper van de wervelkolom - worden ze door de uitstroomopening het vrije water in gestuwd. Dat gebeurt in de nazomer. Daarna worden het echte zakpijpen zodra ze kans zien zich ergens vast te zetten. En dat kan heel snel zijn: om die reden zien we vaak volwassen exemplaren van deze soort met jonkies op hun lichaam. Ook andere Dendrodoa -soorten hebben deze wijze van voortplanting.

Leefgebied:
Op rotsen, stenen, schelpen, wieren en ook op andere soorten zakpijpen. Beneden de laagwaterlijn tot minstens 600 meer diepte.

Verspreiding:
Noordelijke Atlantische Oceaan, aan beide zijden. Aan de Europese zijde van de poolzee tot de Franse Atlantische kust (Bretagne).

Opmerking:
Er zijn een paar soorten die hier veel op lijken, zoals de oranje zakpijp Stolonica socialis en Distomus variolosus . Daardoor is ook nog niet geheel zeker hoever de verspreidingsgebieden van de diverse soorten zich uitstrekken.

%LABEL% (%SOURCE%)