Cyclopterus lumpus

Cyclopterus lumpus Linnaeus, 1758

Nederlandse naam:
Snotolf

Beschrijving:
Onmiskenbaar, plomp uiterlijk. Hij heeft een zuigschijf aan de onderzijde die is ontstaan uit de samengegroeide buikvinnen. Daarmee kan hij zich vasthechten aan stenen en andere harde en gladde oppervlakken (een duikpak is niet echt onwaarschijnlijk!). Hij heeft geen schubben, maar het lichaam is bedekt met beenplaten. Op de rug, de zijden en de buik loopt in de lengte een aantal rijen met stompe stekels. Er zijn twee rugvinnen, maar bij de oudere dieren is de eerste rugvin onzichtbaar, omdat hij met een dikke huidlaag is overgroeid. Opvallende kleuren: helderblauw tot blauwgrijs; de jongen zijn meer groenachtig, en in de paartijd zijn de mannetjes donkerder blauw met een oranje tot rode buik.

Voedsel:
Kleine visjes, kreeftachtigen, ribkwalletjes.

Voortplanting:
Snotolven zijn paairijp als ze vier of vijf jaar oud zijn. In de maanden februari en maart verzamelen de dieren zich paarsgewijs in ondiep water. Zo ook in de Zeeuwse wateren. Het mannetje maakt bij wijze van nest een kuiltje in de bodem. Het vrouwtje zet daarin per keer 15.000 tot 200.000 eieren af en het mannetje bewaakt deze en zorgt onder meer door middel van een hoop vinnengewaaier voor de zuurstofvoorziening. De eieren plakken aan elkaar en aan de ondergrond, zodat het bewaken een overzichtelijke klus blijft. In totaal kan een wijfje wel 300.000 eieren leggen. De eieren zijn bij het leggen geelachtig roze, later worden ze groenachtig. Na 1 tot 2 maanden komen ze uit, waarna een periode van planktonleven volgt. Dat, ondanks het feit dat de jongen al wel een zuigschijf hebben en ze zich dus kunnen vastzetten aan de bodem. Mogelijk ook houdt de broedzorg niet op direct na het uitkomen - maar dat weten we niet zeker. Later leven ze op en bij de bodem, tussen wieren en zeegrassen. In de late herfst gaan ze tenslotte naar dieper water. Snotolven kunnen zo'n 13 jaar oud worden.

Leefgebied:
Typische bodembewoner, van harde bodems - rotsen en stenen; maar hij zwemt ook wel in het vrije water.

Verspreiding:
Beide zijden van de noordelijke Atlantische Oceaan. Van de Russische poolzee, IJsland en Noorwegen tot Baskenland, en van Groenland tot de Chesapeake Bay en de Bermuda-eilanden.

Opmerking:
Amerikaanse literatuur geeft aan, dat de mannetjes goed te eten zijn, maar de vrouwtjes, zeker in de paartijd, niet. Eén van deze boeken zegt, dat het in Europa een 'food fish' is. Het vlees heeft in Europa echter nauwelijks commerciële waarde. De eieren daarentegen worden, na een bewerking met zout, kleur- en smaakstoffen, grif verkocht als onder meer Duitse Kaviaar, Limfjordskaviaar of 'Perles du Nord'.

De nauwverwante slakdolf (Liparis liparis ) heeft een gladde, slijmerige huid en wordt hoogstens 18 cm lang.

%LABEL% (%SOURCE%)